Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen

vrijdag 15 mei 2009

Regen

1e dag:
Heverlee werd totaal verrast door de regen. 's Ochtends is het begonnen: onophoudelijk kletterden dikke druppels neer op de straten van de stad. Tegen de middag waren alle wegen al ondergelopen. 's Avonds was Heverlee gereduceerd tot een klein eilandje temidden van water. Gek genoeg is dat eilandje niet het hoogste punt van Heverlee: het is de campus die gespaard is gebleven. Veel overlevenden zijn er niet, enkel zij die toevallig op de campus waren. Allereerst zijn er 30 sportkotters, de enigen die net les hadden. Al de rest is verdronken op de sportvelden. De 30 overlevenden spelen nu waterpolo, daar waar ooit de Alma 3 was.
Naast de sportkotters zijn er ook nog eens 100 bio-ingenieurs, die aan ieder die het horen wil vertellen hoe vruchtbaar het slib van de overgestroomde Voer en Dijle wel niet is en de hele tijd vrolijk van het ene been op het andere hoppen. Bij de burgerlijk ingenieurs, die weeral allemaal les hadden, zijn er nauwelijks slachtoffers. Enkel de mijnbouwkundigen werden zwaar uitgedund, omdat meer dan de helft weeral eens excursie had. De computerwetenschappers zitten nog steeds in de pc-lokalen samen met de informatici en hebben niet eens gemerkt dat het regende.
Er is geen enkel contact meer over met de buitenwereld, gelukkig is er wel nog elektriciteit, maar het valt nog te zien hoelang dat blijft...

2e dag:
Het water dat vandaag uit de kraan kwam was modderig en stonk. Er is nergens drinkbaar water. Daarom zijn de chemisch ingenieurs begonnen met de bouw van een waterzuiveringsinstallatie, om van het regenwater drinkbaar water te maken. De werktuigkundigen en bouwkundigen op hun beurt zijn begonnen met de bouw van een klein huis om zo te proberen de architecten voor zich te winnen. Nu blijkt dat ze wel even afgesloten zullen zijn van de wereld proberen ook de sportkotters de architectenmeisjes voor zich te winnen.
De bio-ingenieurs zijn al de hele dag bezig met het maken van laarzen uit aulastoeltjes en amuseren zich kostelijk. De elektrotechniekers hebben de informatici en computerwetenschappers gevonden in de computerlokalen en zijn ze het nieuws gaan vertellen. Die laatsten zijn even naar buiten gekomen om te kijken, maar gingen snel weer naar binnen met vreselijk verbrande huid toen bleek dat de zon scheen.
De enigen die een uitweg lijken te zoeken zijn de mijnbouwkundigen die hun schepjes hebben bovengehaald en een gang zijn beginnen graven.

3e dag:
Na onophoudelijke lastigvalling hebben de architectenmeisjes zich deze ochtend verschanst in het huis dat de werktuigkundigen en bouwkundigen hebben gebouwd. Overal heerst diepe rouw nu er enkel nog jongens rondlopen. De sportkotters zijn dan maar weer waterpolo gaan spelen. Tegen de middag heeft de generator het opgegeven, een feit dat meteen opgemerkt kon worden door de kreten die weerklonken uit de computerlokalen. Een massale zelfmoordgolf onder computerwetenschappers en informatici heeft ervoor gezorgd dat niemand meer in de buurt van de computerlokalen durft komen.
De bio-ingenieurs kan het allemaal niet zo veel schelen: dolblij lopen ze met hun laarzen in de modder te dabben en plantenzaadjes rond te gooien.

4e dag:

Het huis gebouwd door de ingenieurs is ingestort, samen met alle architecten erin. Bleek dat de funderingen vergeten waren door een afrondingsfout.
Nu er geen meisjes meer zijn, zijn de materiaalkundigen en werktuigkundigen begonnen met de bouw van een vlot in de hoop zo naar Gasthuisberg te kunnen varen, waar de verpleegsters zitten. De chemisch ingenieurs hebben hun waterzuiveringsinstallatie afgemaakt en hebben samen met de elektrotechniekers een nieuwe generator gemaakt op basis van citroenen. Van de mijnbouwkundigen heeft niemand intussen nog iets gehoord. Uit hun tunnel weerklinken af en toe nog holle kreten, maar daar blijft het ook bij.

5e dag:
Sportkot heeft zichzelf uitgeroepen tot koning van de campus. De bio-ingenieurs werden onmiddellijk tot slaaf gemaakt en mogen nu enkel nog citroenen telen, om de elektriciteitsproductie gaande te houden.
De burgerlijk ingenieurs trekken zich niet veel aan van de machtsgreep, ze zijn te druk bezig met het vlot. Dat vordert niet zo, mede doordat alle tabellenboekjes nat zijn geworden van de regen waardoor niemand weet welke schroeven te gebruiken. Want schroeven zijn nodig, zeggen de werktuigkundigen. De materiaalkundigen geraken er ook niet aan uit welk materiaal het best is voor de basis, terwijl de bouwkundigen ook nog altijd hun simulatie van het gedrag van een vlot op water moeten afronden.
De chemisch ingenieurs zijn in opdracht van de sportkotters, die zich wat zwakjes beginnen voelen, begonnen met het synthetiseren van EPO. Een kleine groep van hen is echter in het geheim bezig een springstof te synthetiseren om de sportkotters van de troon te stoten.

6e dag:

De chemisch ingenieurs zijn ontploft.
De generator is ook stilgevallen, omdat de citroenen op waren. De bio-ingenieurs probeerden de sportkotters te vertellen dat citroenen niet op één dag groeien, maar het mocht niet baten: om de citroenen sneller te doen groeien werden 50 bio-ingenieurs geofferd.
In een reactie hierop hebben de materiaalkundigen met de sportkotters gewed dat deze het water niet konden overzwemmen. Vijf minuten later waren alle sportkotters verdronken en kroonden de materiaalkundigen zich tot de nieuwe heersers.
De bouw van het vlot is vastgelopen toen bleek dat er geen profielen R135-a DIN200 voorhanden waren. De werktuigkundigen zitten er wat verslagen bij.
Nu er geen enkele hoop meer is op redding, wordt de situatie wel heel grimmig en het is maar afwachten hoe lang het nog zal duren.

7e dag:
De mijnbouwkundigen zijn weer verschenen uit hun gang. Gewapend met stenen en geslepen schoppen kwamen ze vanmorgen plots tevoorschijn. De bio-ingenieurs, die net de wormen aan het bekijken waren bij de ingang van de tunnel maakten geen schijn van kans. Voor de anderen er iets aan konden doen, werden ze krijsend de tunnel ingesleept. De geluiden die daarna uit de tunnel kwamen deden het bloed in de aderen van de overlevenden bevriezen. De materiaalkundigen probeerden een verdediging te organiseren, maar de elektrotechniekers stierven allemaal aan elektrocutie toen ze probeerden een zwaard onder stroom te maken en de werktuigkundigen werden verpletterd onder een steen toen bleek dat katapulten afstellen moeilijker was dan gedacht. Daarna hadden de bouwkundigen ook niet veel zin meer om nog iets te proberen en werd er beslist liever revolutie tegen de materiaalkundigen te voeren. Drie uur later was het voorbij. Weinigen hebben de slag overleefd en degenen die wel nog leven werpen de hele tijd angstige blikken richting de tunnel van de mijnbouwkundigen. Niemand vertrouwt elkaar nog en iedereen draagt stiekem wapens. Er wordt niet meer gesproken, noch beweegt iemand: alles is provocatie. En zo, met wijdopen ogen en paranoia in het hart, valt Heverlee in slaap.


zaterdag 6 december 2008

Debuut op papier

Zoals sommigen wel weten ben ik leider bij de scouts. Vanaf dit jaar help ik er bij het schrijven van het programmaboekje: de Sjorring. Samen met een oude rot in het vak, Snoesj, heb ik net de eerste afgewerkt. En ik heb er een eigen rubriekje in gekregen! Daarin heb ik deze keer een kort verhaaltje geschreven, misschien wordt het volgende keer wat anders, ik weet het nog niet. Voorlopig heb ik er nog niet al te veel reactie op gekregen, maar hey! Dat betekent dus ook geen negatieve reacties! 
Het verhaal gaat wederom over Elias, één van m'n favoriete personages, en is winters getint. Verder heb ik ook met opzet het woord 'onderwijl' en 'es' gebruikt, omdat me gezegd werd dat ik dat niet mocht. Sommigen vinden namelijk dat dat geen echte woorden zijn. Ik zeg hen: in mijn ogen wel!

Bij deze:

Door Dries’ ogen



Het sneeuwde. Voor de eerste keer in 12 jaar sneeuwde het nog eens. Dikke witte vlokken bedekten auto’s en fietsen en maakten van de grijze weg een exquise roetsjbaan. Het zou nog even duren voor de eerste mensen wakker werden en de witte wereld zouden aanschouwen. Op zondagmorgen sliep men uit. Iedereen, behalve één man. Met een verrekijker in zijn hand zat Elias voor het raam. Hij had alle lichten in het huis uit gelaten en tuurde door de luxaflex door naar buiten. Zijn kamerjas met beertjes op zat losjes rond zijn schouders, de band niet geknoopt. Alles was perfect rustig. Een wondermooie winterochtend…

“MARIA!!”, daverde het plots door het huis.
“Potverdekke Maria, waar zit je?”
Met een slaperig gezicht kwam Elias’ eega de trap af. “Wat is er, m’n duifje?”
Elias zat nu niet langer neer maar hupte gespannen de kamer door. De band van z’n kamerjas sleepte achter hem aan. Met een roodaangelopen gezicht keek hij naar z’n vrouw. “Nee, laat de lichten uit!”, riep hij toen ze naar de knop tastte. “Kijk naar buiten, Maria…maar pas op dat ze je niet zien.”
Maria keek uit het raam.
-“Nou, veel zie ik niet, schat”
“Precies! Iets of iemand heeft ons raam bedekt met wit spul, Maria! Ik heb het zien gebeuren!”
Elias ijsbeerde de woonkamer door terwijl hij aan z’n kin krabde en zachtjes prrrrt-geluidjes maakte, iets wat hij altijd deed als hij hard moest nadenken. De band van z’n kamerjas was los komen te hangen en om de zoveel tijd moest hij hem wegslaan om er niet over te struikelen.
“Misschien is het wel een aanval”, murmelde Elias, “misschien zijn zij het wel…”
Hij pakte Maria bij de schouders, alles was hem duidelijk. “Aliens, Maria! Aliens!”, bromde Elias. Jarenlang al was Elias ervan overtuigd dat ze bestonden en nu was het eindelijk zover. Hij ijsbeerde door de woonkamer. De band van z’n kamerjas hing nu enkel nog met een knoop aan het kledingstuk vast en bleef overal achter haken.
“Het is overduidelijk, Maria! Weet je nog hoe we tegen elkaar zeiden dat de lucht zo bewolkt was gisteravond?” Maria knikte terwijl ze de stoel die Elias’ kamerjas had omgetrokken weer rechtzette.
“Zo konden ze ongestoord – Bonk, een tweede stoel – spioneren! En die koude temperaturen
de – Kleng, de servieskast – laatste tijd, natuurlijk was dat ook hun plan. Zo willen ze ons zwak maken! En nu is het dus zover…We moeten – Knal, het bijzettafeltje – iets doen!” Elias’ kamerjas was blijven hangen aan de zware wandkast maar ongestoord ijsbeerde hij verder.
“ We moeten het verwijderen, Maria! We moeten de buurt redden! Ga jij de schop halen, dan start ik onderwijl de auto!” En nog voor Maria iets kon zeggen, stormde Elias de deur uit. Heldhaftig, stoer, kordaat en vooral, in z’n onderbroek.

Vier uur later bewogen de eerste silhouetten achter gordijnen. Een koffiezet gorgelde wat, een kind wreef in z’n ogen. Buiten was het nog steeds guur, maar het sneeuwde niet meer. Er was geen wolkje aan de lucht en een waterig zonnetje verlichtte de huizen. Het duurde niet lang of de eerste kinderen kwamen es aan het raam loeren. Buiten zagen zij een sneeuwwereld, zoals zij er waarschijnlijk maar één zouden zien in hun hele leven. Een écht winterlandschap.
Alleen was het niet echt een winterlandschap, en ook niet meteen een sneeuwwereld. Eigenlijk was het meer een beetje gewoontjes, misschien wat natter dan anders.
En terwijl de kinderen weer weggingen van het raam, glimlachte Elias en nipte van z’n thee. De wereld wist het misschien niet, maar hij, hij was een held.


vrijdag 14 november 2008

Matteüs 18

Roel loopt naar de kale, gebarsten muur. Haalt het krijtje uit z'n broekzak. Bukt zich naar de rechteronderhoek. Trekt een streepje. Stapt achteruit. Ja, dit is wonderlijk. Waarachtig mooi. Een glimlachje speelt om Roels lippen. Hij loopt weer naar de muur toe en gaat nog een paar keer over het streepje. Lekker dik. Oh ja, Roel heeft er lol in. Hij telt nog eens alle streepjes na. Over de jaren was de muur traagjes voller en voller geworden. Alle streepjes waren er op geraakt gelukkig, maar dat had hij ook wel verwacht. Niet voor niets had hij van tevoren alles zorgvuldig opgemeten. Hoe onvolmaakt zou het geweest zijn als de muur overvol was geweest? Als hij in de hoekjes had moeten zitten prutsen? Of als er een lelijk leeg stuk was overgebleven? Maar al bij al, hoe had iets goddelijk ooit onvolmaakt geworden kunnen zijn? Glimlachend ziet Roel dat de 490 streepjes zijn muur perfect van hoek tot hoek vullen.
2 jaar geleden was het dat Roel tot het besef was gekomen. Het zag er die dag niet naar uit dat er veel speciaals zou gebeuren, een zondagmorgen als alle andere. Hoe had hij ooit kunnen weten dat juist die dag de priester, een man zijn respect waardig, net die passage zou lezen? Hij kon de woorden nog steeds horen:
"Dan lezen we nu uit het evangelie volgens Matteüs, hoofdstuk 18, verzen 21 tot 35..."
Wat Roel die dag had gehoord had zijn leven voorgoed veranderd. Hij kijkt nog één keer glimlachend naar de streepjes op zijn muur, precies 490, en gaat naar buiten.
Eenmaal op straat loopt Roel zelfverzekerd rond, in z'n broekzak een kopie van de verzen. Hij denkt aan grootse dingen, aan alles wat hij zou kunnen doen. Hoe hij de wereld kan helpen. Hoe hij wel eens een "redder" kan zijn. Een messias...
Hij haalt de verzen uit z'n broekzak en leest ze nogmaals.
Matteüs 18, 21-22
Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.
490 keren, Roel had het uitgerekend. 490 keren had hij zich ingehouden. 490 keren was hij de toffe geweest, de vergevingsgezinde. Maar dat is nu gedaan.
Roel stapt het grote gebouw binnen. Gaat naar boven. Speelt wat het mes in z'n achterzak. Gaat de deur door. Voelt nog eens aan het mes. Glimlacht eens. Krijgt een papiertje tegen z'n hoofd. Voelt een natte spons in z'n nek. Valt over een stiekem gespannen koord. Ziet dertig joelende kinderen met hem lachen van achter hun schoolbanken.
Maar Roel glimlacht.
"Dat hadden jullie niet moeten doen, jongens. Ho nee, dat was een slechte keuze. Dit wordt écht jullie dagje niet..."

met dank aan Pieter Moysons, die het uitgerekend heeft

zondag 19 oktober 2008

Elias

"Kippen, Maria, zijn de vuilste beesten op aarde", zei Elias.
"Zo dan, nou, leg es uit, schat", antwoordde Maria terwijl ze nog wat aardappelen bij opschepte.
"Dat zal ik meteen doen!", zei Elias. "Kippen zijn des duivels, Maria. Ze komen voort uit het gat van de duivel en denken dat wij dat niet merken. Maar dan hebben ze buiten mij gerekend, Maria! Ze lijken dan misschien zo onschuldig, maar op één punt laten ze een steek vallen."
-"Is dat zo, lieve?"
-"Jazeker! Het is niet zozeer hoe de kip ofte gallus gallus domesticus leeft, het is hoe hij sterft! Heb je wel es een kip zien sterven, Maria?"
"Nee, nog nooit", zei Maria, "En doe nou toch rustig met de aardappelen, lieve."
"Wel", ging Elias verder, die nog steeds geen aandacht aan de aardappelblokjes besteedde die hij deed rondvliegen met al z'n geklop op tafel,"het toeval wil dat ik vorige week zag hoe de boer van hiertegenover een kip slachtte. Ik zag zó hoe het mes van de boer door de nek van dat beest ging. En moet je nu horen, lieve: dat beest liep gewoon weg! Zonder hoofd, Maria!"
"Nou nou, dat meen je niet", zei Maria.
-"Ik zweer het je op m'n moeders hoofd! Kippen zijn van de duivel, lieve! En ik heb hen doorzien: een normaal wezen is dood als je het de kop afhakt!"
Na de aardappelschaal moest ook de kom met erwtjes aan geloven toen Elias er met z'n vork op begon te timmeren om z'n standpunt kracht bij te zetten.
"Uit de duivel, uit de duivel, uit de duivel! En dat weiger ik toe te staan, Maria!"
En met die woorden stond Elias recht. hij griste het vergiet van het aanrecht, duwde er de etensrestjes uit en zette het op z'n hoofd. Bij de deur nam hij ook de grove borstel mee en droeg hem als een lans voor zich uit. "Nogmaals heeft de wereld me nodig, lieve! Uw nobele ridder verlaat u eens te maal, maar weest verzekert: ik keer terug! Aan m'n buidel de kop van elke duivelse kip in omstreken!"
En Elias stormde de deur uit, de omliggende boerderijen tegemoet. Maria zuchtte even en ruimde de erwtjes op, die over de vloer verspreid lagen. Buiten hoorde ze de gesmeerde kreten van haar levenspartner, die nu bijna bij de boerderij aan de overkant moest zijn. Geduldig ging ze zitten wachten aan de deur tot ze hoorde wat ze al wel verwacht had. Vijf minuten later stond Elias weer aan de deur.
"Ze hebben me gestoken, Maria! Met hun snavels zó, recht in m'n vlees! De duivelse beesten wisten het, hun duistere heerser had hen gewaarschuwd!"
"Ja, vast wel, lieve, vast wel", zei Maria en ze ging een pleistertje halen terwijl Elias over z'n rode arm wreef, woedende blikken werpend door het raam, waar het lawaai van honderden kippen de stilte van de nacht brak.

zondag 7 september 2008

Joachim

"7...18...30"
Joachim mompelt de getallen luidop terwijl hij met z'n oude ogen de reusachtige raderen volgt die klikkend en ratelend ronddraaien. De verroeste mastodonten beslaan een hele wand van het kleine kamertje waarin Joachim woont. Op elke andere muur staan cijfers geschreven in een onoverzichtelijke wirwar, tot tegen het lage plafond. Een kamer met een plafond waar hij zich net niet tegen stoot en muren vol slordig geschreven cijfers, dat is Joachims wereld. Een deur is er niet, maar dat hoeft ook niet voor hem. Hier voelt hij zich thuis. Intussen zijn de raderen gestopt met draaien. Joachims verrimpelde handen grabbelen naar een beduimeld papiertje in zijn zak. "7...18...30", herhaalt hij nog eens terwijl hij met z'n vingers langs het vod strijkt. Vervolgens schudt hij z'n hoofd en verstevigt hij z'n greep om de ijzeren paal naast zich. Net op tijd, want even later gaat er een schok door het lichaam van de kleine man. Spieren, veel groter dan je zou verwachten van een man op zijn leeftijd, bollen op onder zijn groezelige shirtje. Elvis Lives, staat erop, boven een zwartwitfoto van de rocklegende. Er komen nog een paar schokken waarbij het hele kamertje meeschudt, maar Joachim houdt stand en even later is alles weer rustig. De greep van de sterke armen verslapt weer en Joachim zucht even diep. De spieren van zijn armen lijken te branden. Weemoedig denkt hij terug aan vroeger, toen hij sterker was. Toen bewoog de dikke ijzeren paal amper een millimeter wanneer er een schok kwam. Tegenwoordig heeft hij het steeds moeilijker zijn greep te behouden op het gladde ding. Hij kijkt even naar z'n voeten, die met een lange ijzeren ketting zijn vastgeklonken aan een ring in de grond. Rondom de boeien is de huid van zijn enkels helemaal weggeschuurd. Waarschijnlijk zou hij de oude, roestige boeien wel kunnen stuktrekken, maar daar heeft hij nooit de behoefte toe gevoeld. Joachim is een plichtsbewust man, altijd geweest. Hij probeert zich te herinneren hoe hij hier alweer terechtgekomen is, maar kan het niet. Is dit een straf? Wat zou hij ooit gedaan hebben om hier geplaatst te zijn? Hoe hard hij ook z'n best doet, hij kan zich niets voorstellen van zijn leven voor de kamer. Voor zolang hij zich kan herinneren is hij hier altijd geweest, met als enige bezit het voddige papiertje en een lege stift, die in een hoekje van het kamertje ligt. Zijn gedachten worden plots onderbroken door de raderen die weer aan het klikken en het ratelen gaan en snel schieten Joachims ogen naar de draaiende tandwielen. De wielen draaien snel, bijna té snel voor zijn oude ogen. Joachim moet steeds meer moeite doen de wielen duidelijk te zien en het besef dat hij op een dag blind zal zijn heeft zich al lang een plaatsje ingevreten in zijn hoofd. Maar wat Joachim nog veel meer beangstigt is de gedachte aan het vergeten van het geheim. Het papiertje in zijn zak waarop het ooit stond is allang onleesbaar. Toch haalt hij het altijd weer tevoorschijn als het tijd is, alsof hij het reliëf van de verdwenen inkt nog kan voelen. Tot nu toe is hij altijd in staat geweest het geheim te onthouden, maar zijn geheugen laat hem steeds meer in de steek. De gedachte dat hij het ooit misschien niet meer zou weten maakte hem vroeger zo bang dat hij vaak naar de stift greep om dan overal waar hij kon dezelfde drie cijfers op te schrijven: 25,4,29. Eerst was hij bij één muur gebleven maar algauw begon hij de anderen ook vol te schrijven, en uiteindelijk zelfs zijn armen en benen, tot de stift leeg was. "5...19...8", mompelt hij wanneer de raderen weer gestopt zijn. Snel haalt hij het papiertje weer uit zijn zak en wrijft erover. Hij is niet gek, dat weet hij zeker. Gekken bonken hun hoofd tegen de muur, vergeten hun plicht. Hij niet, Joachim is alleen maar voorbereid. Hij verstevigt zijn greep om de ijzeren paal weer en zet zich schrap. Daar is de schok weer, maar deze keer lijkt Joachim helemaal niet zo standvastig. Hij is moe, zo moe. Tranen staan hem in de ogen wanneer hij de paal probeert tegen te houden. De strijd is oneerlijk en hij voelt hoe zijn grip steeds zwakker wordt. Uiteindelijk valt hij uitgeput achterover en ziet hoe de paal in de hoogte verdwijnt. De klap van zijn val was aardig hard, maar Joachim lijkt het niet te voelen. Zijn beeld wordt steeds zwarter als hij bedenkt dat hij heeft gefaald. Het mocht niet, de cijfers waren verkeerd! Het mocht niet, het mocht niet, het mocht niet! De tranen lopen nog steeds over z'n wangen wanneer zijn adem stokt en even later helemaal stopt.

Ergens in Leuven wandelt een jonge crimineel fluitend weg van een leeggeroofd kastje, een open hangslot ernaast.


(Naar een idee van Jan Cox)

zondag 2 maart 2008

Bang in het donker

Pre Scriptum: voor de vorige blogpost zie ik me verplicht Elias nog te bedanken, aangezien hij me op het denkspoor zette. Dank U, goeierd van een Staes

Ik ben er niet ongelooflijk trots op, maar als kind was ik ongelooflijk bang in het donker. Er zijn ganser verhalen rond te vertellen, maar om een voorsmaakje te geven: ik herinner me nog mijn eerste nachtlampje. Het was niet zozeer een nachtlamp, eigenlijk zou een betere benaming ervoor nachtfaar geweest zijn. Het kleine snoezige griekse huisje verlichtte zo'n beetje m'n hele kamer en nog geen klein beetje. Maar goed, ik was jong en ik had teveel fantasie. En in het donker zag ik álles. Zo had ik een tijdlang een angst om 's nachts uit het raam te kijken, iets waar ik nu nog steeds een zekere twijfel bij voel. Er moest maar eens een heks aan het zweven zijn buiten mijn raam of een boeman die door de bossen liep. Ik was, zoals mijn zussen zo mooi omschreven, een schijtluis.
Maar goed, ik werd ouder, leerde muziek kennen, de schoonheid van de nacht, de sterren en opeens was naar huis fietsen een pak minder erg. Meestal...
Want vanavond, vanavond zat het er weer tegen! Laat ik even het verhaal doen:
Ik was op weg naar huis na een gezellig avondje met de vrienden, vrolijk fluitend met de EELS in m'n oren fietste ik door het bos. En dan opeens begint het. De eerste klik die je maakt kan door alles veroorzaakt worden: een beetje een rare toon in je lied, een overstekende kat, een auto. Plots besef je dat er nog wereld is buiten jijzelf en je mp3-speler en dat die best wel eens eng zou kunnen worden. Wórden, niet zijn, want je ziet nog niets. Maar de potentie, de dreiging is nu volop aanwezig. De hele omgeving lijkt opeens veel meer op te vallen en de geruststellende mp3 wordt een dilemma: uitdoen en alles horen of aanlaten en misschien wel niet horen wat er achter je gebeurt? Ik bevind me op het eerste niveau van ongemak
Maar goed, voorlopig is er nog niets gebeurd. Totdat je ineens achteromkijkt. Mag je nooit doen! Want iedere keer zie je niets, maar nét wanneer je je hoofd draait, schudt er een struik of beweegt er een schaduw. Natuurlijk ben ik weer zo stom geweest m'n eigen raad niet op te volgen en hupsa, ja, we zitten op niveau twee van de trip naar ongegronde angst.
Al bij al, laat ons niet overdrijven, niveau twee is chilly willy en valt nog makkelijk weg te wuiven.
Maar toen gebeurde het... Plotseling, toen ik een berg op fietste, zag ik uit m'n ooghoek een man stappen. Meteen draai ik mijn hoofd en wat zie ik?! Een stomme paal die langs de kant van de weg staat. U zou misschien gerustgesteld zijn hierdoor en eens hartelijk lachen met uw eigen dwaasheid maar ik allerminst. Wandelaars kom je wel vaker tegen op late uren en soms is het dan even schrikken maar achteraf zijn ze achter je. Een ver verleden van zodra je 5 meter verder zit. Maar een ingebeelde wandelaar is veel erger. Eerst is er de korte schrik die snel wegebt, maar het ongemak is duizendvoudig versterkt. Het probleem is immers niet verdwenen, het is verschoven! Van een reële angst komen we nu terecht in een metafysische angst. Een angst voor wat zou kunnen, voor het bovennatuurlijke zelfs. Want palen lijken niet zomaar op wandelaars. Was het een boodschap misschien? Een omen? Volgt een wezen me dat zich razendsnel verbergt? De meest Spielbergiaanse ideeën verdringen zich binnen m'n hoofd en ik race zwetend en achteromkijkend naar huis. Niveau 3, het is geen lachertje.